woensdag 9 augustus 2017

AOW-leeftijdskramp door CPB IV

Als we aannemen dat een verhoging van de AOW-leeftijd naar 71 jaar tot minder in plaats van meer werkgelegenheid voor ouderen leidt (dit laatste neemt het CPB aan), zijn in 2060 de AOW-uitgaven ongeveer even hoog als wanneer de AOW-leeftijd op 65 jaar wordt gezet. In de figuur zijn dat, respectievelijk de oranje curve en de gele curve. Met andere woorden, het zou kunnen zijn dat een verhoging van de AOW-leeftijd tot zoveel extra werkloosheid (of arbeidsongeschiktheid) onder ouderen leidt dat het besparingseffect van de verhoging volledig verdwijnt. Dan hebben we nog niet eens de hogere werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen bij de kosten van de AOW opgeteld. Daarbij moet ik wel opmerken dat ik van lagere AOW-uitkeringen uitga dan het CPB. Het CPB neemt namelijk aan dat de overheid in de toekomst veel genereuzer tegen de AOW-er zal zijn dan de overheid tot nu toe in feite was. Ik neem aan dat de overheid in de toekomst net zo genereus is voor de AOW-ers als de overheid in de afgelopen 30 jaar. Dit betekent dat de AOW-uitkering geleidelijk achter raakt op de algemene welvaartsontwikkeling. Kan dat zomaar, zonder dat de mensen met de laagste inkomens tot de bedelstaf vervallen? Zeker kan dat. We hebben het namelijk over de bruto AOW die achter blijft. De netto AOW blijft echter redelijk in de pas met de welvaart. Dit kan worden verklaard door speciale faciliteiten die voor AOW-ers met een laag inkomen in het leven zijn geroepen, zoals de ouderenkorting, om het netto inkomen op peil te houden. Deze specifiek gerichte faciliteiten zouden in de toekomst gehandhaafd en eventueel uitgebreid kunnen worden. De bruto AOW daalt, zodat ouderen met hoge inkomens erop achteruit gaan; de ouderen met lage inkomens worden beschermd. De inkomensongelijkheid onder ouderen (die erg hoog is) neemt er dus ook nog eens door af. Kassa! (wordt vervolgd)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten