zaterdag 29 juli 2017

AOW-leeftijdskramp door CPB III

Wat zal er gebeuren als de verhoging van de AOW-leeftijd tot minder werkgelegenheid voor ouderen leidt, in plaats van tot meer, zoals het CPB aanneemt? Ik heb uitgerekend wat er kan gebeuren als je aanneemt dat de werkgelegenheid van ouderen juist verslechtert bij een verhoging van de AOW-leeftijd. Stel dus dat een deel van de ouderen die door moeten blijven werken na de verhoging van de AOW-leeftijd niet doorwerkt, maar werkloos wordt, of arbeidsongeschikt, of gewoon thuis zit en gedwongen wordt zijn/haar spaarcenten op te maken. Dan kost de AOW minder (want de AOW-leeftijd is hoger), maar het nationaal inkomen is ook minder dan gedacht (want er wordt minder gewerkt en dus minder geproduceerd dan eerder werd verwacht). Het gevolg van dat laatste effect (lager nationaal inkomen) is dat als de AOW-leeftijd wordt verhoogd de AOW-uitgaven als percentage van het nationaal inkomen hoger kunnen uitvallen. In de figuur zien we wat er zoal allemaal kan gebeuren als de AOW-leeftijd al dan niet wordt verhoogd. De onderste blauwe curve zijn de AOW-uitgaven als percentage van het nationaal inkomen bij een AOW-leeftijd van 71 jaar in 2060, volgens de berekening van het CPB. De bovenste grijze curve zijn de AOW-uitgaven (% bbp) als de AOW-leeftijd op 65 jaar wordt gehouden tot in 2060. Alweer volgens het CPB, maar volgens mijn berekening geldt dan de gele lijn. Bij een AOW op 65 zijn de uitgaven (% bbp) weliswaar hoger dan wat het CPB berekent bij een AOW op 71 jaar, maar veel lager dan het CPB aanneemt. Wat nog veel interessanter echter, is de oranje curve. Deze curve krijgen we als we aannemen dat een verhoging van de AOW-leeftijd naar 71 jaar leidt tot een lagere werkgelegenheid in plaats van een hogere werkgelegenheid voor ouderen zoals het CPB aanneemt (wordt vervolgd). 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten